Boekrecensie:

Panden die verhalen
Hoe twee uitersten elkaar troffen in een Utrechtse straat

Door Bert Bakkenes

Soms worden er pogingen gedaan om een landschap schuldig te spreken. Plekken, panden, een omgeving waar veel is gebeurd. Plaatsen die zijn aangeraakt door grote tragedies of door heldendom. Het spreekt voor zich dat die plekken iets met zich mee dragen. Maar het schuldig spreken van een landschap, een omgeving, kan ook worden opgevat als een poging om de mensen die schuldig waren aan deze “Panden die verhalen”
tragische dingen een beetje vrij te spreken. Terwijl het toch de mensen zijn die verantwoordelijk zijn voor hun daden, en zeker niet de omgeving of het landschap. Wel is het mogelijk om een plek of een straat te gebruiken om bepaalde gebeurtenissen te illustreren en er een achtergrond aan te geven.

Het boek “Panden die verhalen” van Wout Buitelaar is zo’n poging. Het onderschrift luidt: “Een kleine oorlogsgeschiedenis van de Utrechtse Maliebaan”. Als er een straat in Nederland was waar de uitersten van de Tweede Wereldoorlog samenkwamen was het bij uitstek de Utrechtse Maliebaan. Niet alleen zat de straat vol Duitse instanties, waaronder de SD, waardoor het gebied de titel ‘Unter den Linden’, een verwijzing naar een gelijknamige straat in Berlijn, mee kreeg van de bezetter. Ook het hoofdkwartier van de Nationaal Socialistische Beweging (NSB) van Anton Mussert zat in de Maliebaan.

Hoofdkwartier van de NSB
Hoofdkwartier van de NSB
Maar ook het verzet was in de straat vertegenwoordigd, opererend onder de neuzen en soms zelfs een soort bescherming, van de tegenstanders. Dan was er nog een ander tragisch aspect. In dezelfde straat ligt het station Maliebaan, de plek waar vandaan de Joodse Utrechtenaren op transport werden gesteld naar eerst Westerbork, en later de vernietigingskampen in Polen. De meeste kwamen niet terug.

De bezetters en hun handlangers

Dat het oog van de Duitse bezetters al snel na de capitulatie van het Nederlandse leger in de Meidagen van 1940 op de Maliebaan viel, was niet zo verwonderlijk. De straat bestond en bestaat nog steeds uit grote ruime gebouwen, die een perfecte plaats boden aan de instanties die na de Duitse troepen Utrecht binnentrokken. Het gevolg was dat de brede straat in de hele oorlog wemelde van de uniformen. De Wehrmacht kreeg een pand aan de Maliebaan, waar de stadscommandant zetelde, en ook de Sicherheits Polizei kreeg de Utrechtse straat als uitvalbasis. Het boek geeft een gedetailleerd overzicht van de Duitse instanties en schetst ook de geschiedenis van de NSB. Dat Utrecht de “Stad van de Beweging” werd genoemd was niet vreemd, want door de aanwezigheid van het NSB hoofdkwartier waren er vaak bijeenkomsten, defilés en parades waarvoor NSB'ers, WA'ers en andere aanhangers van de zogenaamde “nieuwe orde” vanuit het hele land naar de Domstad reisden.
Niet alleen de leiding van de NSB huisde in de Maliebaan, ook de propaganda afdeling van de organisatie was er vertegenwoordigd, en later kwam daar het hoofdkwartier van de Landwacht nog bij. De Landwacht was een soort hulppolitie afkomstig uit de NSB en SS, die zich vooral bezig hield met de jacht op verzetsstrijders en onderduikers. De schrijver laat zien hoe de NSB zich steeds aan de bezetters probeerde op te dringen als vertegenwoordigers van het Nederlandse volk. Maar dat deze pogingen jammerlijk mislukten, en de Duitsers in feite een spel met Mussert en zijn zwarte soldaten speelden. Mussert zag zichzelf al als stadhouder, maar die eer zou hem nooit te beurt vallen. Hij eindigde na de oorlog voor het vuurpeloton.

Station Maliebaan

In de Maliebaan voltrok zich ook een tragedie waarvan de omvang pas veel later duidelijk werd. Deze tragedie speelde zich af in Station Maliebaan, een uitgerangeerd station dat kort voor de oorlog en ook tijdens de bezetting alleen nog maar werd gebruikt voor militaire transporten. Eerst van het Nederlandse leger, en na de capitulatie door de Duitse bezetters. Maar het station kreeg later in de oorlog ook nog een andere bestemming. Het werd gebruikt als meldstation voor de Utrechtse Joden, nadat de Duitsers in 1942 hadden besloten om alle Nederlandse Joden te deporteren

In 1940 woonden er in Utrecht tussen de 1400 en 1600 Joden. Hieronder waren 200 Joden die uit Duitsland waren gevlucht en in Nederland als ‘statenloos’ te boek stonden. De Utrechtse Joden kregen vanaf de zomer van 1940, net als overal, te maken met de verschillende beperkingen die door de Duitsers werden opgelegd om de Joodse gemeenschap meer en meer te isoleren.


augustus 2008
De Anti Fascist
12

 

Joodse ambtenaren werden ontslagen, bedrijven werden overgenomen, later kwam de registratie en het persoonsbewijs met de J. Een voorlopig hoogtepunt werd bereikt met het invoeren van de gele ster die op de kleding gedragen moest worden.

Station Maliebaan
Station Maliebaan

Wat niemand wist, was dat het Nazi regime intussen had besloten om de Joden in Europa te vernietigen. Dit zou op een industriële wijze worden uitgevoerd, vooral in grote kampen in Polen. Om dit doel te bereiken zouden de Joden uit alle delen van Europa worden gedeporteerd. In Utrecht begonnen de deportaties op 9 februari 1942, toen 150 Joodse vluchtelingen, die statenloos waren, zich moesten melden voor transport naar Westerbork. Een paar dagen later trof hetzelfde lot de vluchtelingenkinderen en een deel van het personeel van het Centraal Israëlitisch Weeshuis aan de Nieuwegracht. Deze transporten gingen nog via het Centraal Station en werden meestal in de nachtelijke uren uitgevoerd. Men wilde immers niet dat het teveel zou opvallen. Tot augustus bleef het Centraal Station in gebruik voor kleine transporten.

Voor de grootschalige transporten namen de Duitsers het Station Maliebaan in gebruik. Dat gebeurde voor het eerst op 18 en 25 augustus 1942. Honderden gezinnen werden op de trein gezet, meestal naar Westerbork, soms via Amsterdam. Het laatste grote transport vanaf Station Maliebaan vertrok op 22 april 1943. Dit transport ging eerst naar Kamp Vught. Maar de uiteindelijke bestemming was steeds dezelfde; Auschwitz, Sobibor of Treblinka, en de complete vernietiging. Na dit laatste transport verklaarde de Nazi’s Utrecht ‘vrij van Joden’. Dit klopte niet want tussen de 300 en 400 Utrechtse Joden waren ondergedoken, deels in de stad en deels in de buiten gebieden. Op verschillende manieren werden deze onderduikers voorzien van bonkaarten, voedsel en kleding.

Utrecht speelde in deze grote tragedie nog een andere rol omdat er in oktober 1940 in het Wilhelminapark een kinderthuis werd geopend dat de naam Kindjeshaven droeg. De initiatiefneemster Truitje van Lier gebruikte het tehuis om Joodse kinderen op te vangen en te verbergen. Het ging om kinderen uit Utrecht en omgeving, maar ook om kinderen en baby’s die uit Amsterdam werden gesmokkeld door het verzet. Waarschijnlijk heeft Kindjeshaven ongeveer 150 Joodse kinderen het leven gered. Als dekmantel neemt het tehuis ook kinderen op die het gevolg zijn van relaties tussen Duitse militairen en Utrechtse moeders. Bij controles komt dit goed van pas omdat er minder wantrouwen is. Toch wordt de situatie in het najaar van 1944 steeds gevaarlijker omdat de SD achterdocht begon te krijgen, en Truitje van Lier duikt onder. Haar assistent zet het tehuis voort tot begin 1945 als de deuren dicht kunnen omdat voor alle kinderen een goed heenkomen is gevonden. Er was ook nog een andere organisatie in Utrecht die zich met Joodse kinderen bezig hield. Het ging

hierbij om het Kindercomité. Dit comité fungeerde als tussenstation voor Joodse kinderen die uit Amsterdam werden gesmokkeld. Langs deze weg werden 350 kinderen in het hele land ondergebracht. Voor noodopvang werd er vaak een beroep op Kindjeshaven gedaan. Overigens was Truitje van Lier niet de enige verzetsheldin in haar familie. Haar nicht, Truus van Lier, die lid was van de linkse verzetsgroep CS-6, schoot de Utrechtse politiecommissaris dood. Zij werd in een Duits kamp geëxecuteerd. Truitje overleefde de oorlog.

Haard van verzet
Net als in de meeste andere steden waren er in Utrecht verschillende verzetsorganisaties actief. En was er ook individueel verzet. De Utrechtse OD (Orde Dienst) werd geleid door de bankier Pim Boellaard. Hij gebruikte zijn beroep als dekmantel om rond te reizen en Duitse militaire installaties te bespioneren. Ook deed hij een mislukte poging om naar Engeland te vluchten. Uiteindelijk kregen de Duitsers hem toch te pakken. Hij overleefde verschillende kampen en haalde het einde van de
Pim Boellaard
Pim Boellaard
oorlog. Een voorbeeld van individueel verzet in Utrecht was de middenstander Piet Bosselaar. Hij had een luxe woninginrichting in de Nobelstraat. Hij gebruikte de winkel tijdens de oorlog als een in- en verkoopcentrale en regelde tegelijkertijd voor verschillende verzetsorganisaties vervoer, vergaderruimtes en opslag. Hij was nergens bij aangesloten, maar iedere groep kon een beroep op hem doen. Omdat er ook veel Duitse officieren in zijn winkel kwamen, was het betrekkelijk veilig. De SD van de Maliebaan heeft zijn rol in het hele Utrechtse verzetsnetwerk nooit kunnen ontdekken. Binnen dit netwerk werd er aan alle kanten bijgeklust. Er was een vervalsingscentrale, er werd gestolen, georganiseerd en onderdak geboden aan onderduikers met verschillende achtergronden.
Het spreekt voor zich dat er verliezen waren. Zo werd Frits Iordens van het Kindercomité in maart 943 in Hasselt neergeschoten toen hij met pilotenhulp bezig was. Arrestaties waren er ook, maar het netwerk is de hele oorlog blijven functioneren, en de Duitsers hebben er nooit echt grip op gekregen.

Het verzet was ook vertegenwoordigd op de Maliebaan zelf. In het pand van Garage Grund op Nr. 71 zat vanaf eind 1940 een stencilpost van eerst De Vonk en later De Waarheid. Het werk stond onder leiding van Henk en Marie van de Heuvel, die al voor de oorlog lid van de CPN waren. Henk werkte in de garage als pompbediende en het kwam voor dat hij aan de voorkant Duitse militaire wagens stond vol te tanken terwijl grote stapels kranten via de achterdeur het pand verlieten. Het illegale werk van de CPN in Utrecht begon al in een heel vroeg stadium van de bezetting onder leiding van districtsbestuurder Wiep van Apeldoorn. Hij bracht al in juli 1940 een gestencild blaadje uit dat de naam Economisch Nieuws meekreeg, en om de twee weken uitkwam. In november 1940 werd de naam gewijzigd tot De Vonk. Er werd veel van De Waarheid overgenomen, omdat de nieuwsvoorziening steeds moeilijker werd. Vanaf augustus 1943 werd ook het Utrechtse blad omgedoopt tot De Waarheid. Het blad kwam nu iedere week uit en vanaf april 1945 zelfs iedere dag.


augustus 2008
De Anti Fascist
13

 

Naast zijn werk voor de illegale pers zette Wiep van Apeldoorn een illegale verzetsorganisatie op die bestond uit leden van de CPN en ook niet leden. Om veiligheidsredenen mocht de groep zich niet bemoeien met partijactiviteiten. Wiep ging later ook landelijk aan de slag en hij werd in 1941 in Utrecht opgevolgd door Henk Roeterdink. Roeterdink zette zelf ook weer verschillende netwerken op waarvan alle draden bij hem samenkwamen. Er werd hulp gegeven aan onderduikers en er werden bonkaarten verspreid. Natuurlijk werd er ook veel werk verzet voor de illegale pers. Henk Roeterdink had ook contact met de Raad van Verzet, en bood op een zeker moment ook onderdak aan de Haarlemse verzetsstrijdster Hannie Schaft. Zij was in Utrecht voor een liquidatie. Waarschijnlijk ging het hierbij om de jacht op Piet Vosveld, een voormalige CPN-bestuurder die door de SD was “omgedraaid” en zeker 22 CPN mensen heeft verraden, waaronder Jan Dieters. Het lukte Hannie Schaft en Jan Bonekamp niet om de verrader te pakken te krijgen. Vosveld kwam uit Soest en de RVV hoopte hem daar in de buurt in de kraag te grijpen. Hannie had hierover onder meer contact met de Amersfoortse verzetsman Roel Wolthuis. Maar Vosveld verdween naar Friesland en heeft de oorlog overleefd.

Rechts Roel Wolthuis, links Gerrit Kleinveld
Rechts Roel Wolthuis, links Gerrit Kleinveld
Wiep van Apeldoorn was intussen naar Amersfoort vertrokken waar hij in de regio Gelderland een gewapende verzetsgroep opzette samen met de Oud-Spanjestrijdster Jeanne Schrijver.

Begin 1943 werd hij door de SD gearresteerd, maar hij ontsnapte uit de gevangenis van Arnhem.Jeanne Schrijver, die ook was opgepakt, pleegde in de gevangenis zelfmoord. Wiep van Apeldoorn dook onder en haalde het einde van de oorlog. De verzetscel in Garage Grund, die hij had opgezet, heeft nooit directe contacten met de Utrechtse CPN gehad en is de hele oorlog zelfstandig blijven functioneren. De SD kreeg er geen grip op ondanks verwoedde pogingen. Vanaf september 1944 was de groep ook betrokken bij een gezamenlijk blad dat Oranje Bulletin heette. Het ging om een lokaal initiatief, maar wel op professionele basis. Zo was er een echte zetter betrokken.

September 1944
Niet alleen het uitkomen van het Oranje Bulletin was een nieuwe ontwikkeling in september 1944. In dezelfde maand werden de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) opgezet op bevel vanuit Londen. Prins Bernhard werd de opperbevelhebber, met als onderbevelhebber de voormalige KNIL-officier Henri Koot. Het was de bedoeling dat alle verzetsgroepen in de BS gebundeld zouden worden. Veel groepen ontvingen het nieuws met een zeker wantrouwen. De Utrechtse BS commandant Willem Nagel gaf zelfs aan dat het opzetten van de BS schade had toegebracht aan het verzet. Vooral de ‘rangenfantasie’ stond hem tegen. Volgens Nagel was het verzet vanaf het eerste uur gebaseerd op barmhartigheid en loyaliteit. Met het opzetten van de BS werd er veel meer gebruik gemaakt van een hiërarchie, die ook zijn gevaarlijke kanten kende. In Utrecht waren binnen enkele maanden 3500 BS'ers actief. Velen waren al jaren actief, maar er kwamen ook veel nieuwe mensen bij die in het zicht van de overwinning toch nog een graantje wilden meepikken. Door de oude garde werden zij ‘Septemberridders’ genoemd.

Voor sommige verzetsstrijders van het eerste uur was het opzetten van de BS een grote teleurstelling. Ze bleven weliswaar meedoen, omdat ze het als hun plicht zagen. Maar de BS zou nooit hun club worden, in tegendeel. Er waren ook groepen die gewoon botweg weigerden iets met de BS te maken te hebben. Ze bleven hun eigen weg gaan, en in veel gevallen bleek dit ook veiliger.
Een goed voorbeeld hiervan is de zogenaamde Groep Albrecht. Het ging hierbij om een spionage groep die in maart 1943 ontstond toen de geheim agent Henk de Jonge (schuilnaam Albrecht) boven Nederland werd gedropt. Hij zette een groep op die in het hele land informatie verzamelde over Duitse installaties, troepenbewegingen, transporten enzovoort. In Utrecht werd de groep geleid door Roelof Terpstra.

Alle berichten die door Terpstra naar Rotterdam werden gekoerierd, werden via een zender in de Biesbosch naar Londen verzonden. Er waren ongeveer 20 medewerk(st)ers in Utrecht, en de groep had geen enkel contact met de andere verzetsgroepen in de stad. Roelof Terpstra weigerde om veiligheidsredenen om zijn groep te laten aansluiten bij de BS. Zijn netwerk haalde zonder verliezen het einde van de oorlog. Landelijk telde de Albrechtgroep ongeveer 800 mensen en in de laatste oorlogswinter gaf de organisatie via Utrecht 2000 militaire situatierapporten door. Na de bevrijding kreeg de groep hiervoor een compliment van het Canadese leger, dat goed van de informatie gebruik had gemaakt.

Het spoor
In het laatste oorlogsjaar kwam de noodzaak van het vinden van onderduikadressen pas echt naar voren. In september 1944 riep de regering in Loden alle spoorwegmedewerkers op om te staken na de luchtlandingen bij Arnhem. Duizenden spoormannen hadden nu een adres nodig, want de Duitsers waren woedend over de staking die nooit gebroken zou worden. Er kwam geld van het Nationaal Steunfonds, en vooral wat oudere vrouwen trokken de Utrechtse wijken rond om de spoormannen uit te betalen. Het was een goed georganiseerd netwerk dat maar weinig verliezen te betreuren had. Van de 120 uitbetaalsters in Utrecht werden er maar 2 opgepakt. Omdat ze zelf niet wisten waar het geld vandaan kwam, hadden de Duitsers ook aan deze arrestaties eigenlijk niets. Alle pogingen van de Duitsers om de spoormannen weer aan het werk te krijgen liepen op niets uit. Tot de bevrijding lag het spoor plat.

Bevrijding
Op 7 mei 1945 trokken de Canadezen Utrecht binnen en kwam er een einde aan de Duitse bezetting. Ook voor de Maliebaan betekende dit een omslag. De NSB en haar leider hadden het moment niet afgewacht en waren allang vertrokken naar Den Haag. Daar werd Mussert uiteindelijk ingerekend. De panden op de Maliebaan kregen nu weer een andere bestemming. Op Nr. 15 bijvoorbeeld namen de Binnenlandse Strijdkrachten het roer over door er hun hoofdkwartier te vestigen. Het Militair Gezag zat op Nr. 35, het oude NSB-hoofdkwartier, en maakte ook gebruik van Nr. 55.

Toch zou er nog een tragedie plaatsvinden in de stad die nog jaren het onderwerp van gesprek zou zijn. Een BS arrestatie-eenheid trok op 7 mei richting de Maliebaan, waar de BS haar hoofdkwartier zou opzetten. Op de hoek van de Nassaustraat en de Koningslaan stuitte de eenheid op een Duitse vrachtwagen. De BS-mannen sommeerden de Duitsers om uit te stappen en hun wapens in te leveren. Dit gebeurde zonder problemen. Maar een andere groep Duitsers, waaronder ook SS'ers, zagen dit en begonnen te schieten. Van de 12 BS'ers overleefden maar twee mannen de schietpartij. De BS-eenheid was gewapend, maar behoorde eigenlijk niet tot het gewapende deel van de BS en werd dan ook totaal verrast door de Duitse vuurkracht. Eigenlijk waren de mannen niet geschikt voor dit soort werk, omdat ze geen ervaring hadden. Maar de BS had militair vertoon op straat nodig, en dat betekende dat ieder lid hiervoor ingezet kon worden. Nog jaren is er gediscussieerd over wie nu precies het eerste schot had gelost. Uiteindelijk verdween de hele zaak in de doofpot.

Panden die verhalen
Door de vele instanties die de Maliebaan tijdens de oorlog bevolkte kreeg de straat landelijke bekendheid. Het boek geeft een goed gedetailleerd beeld van wat zich zoal in deze donkere dagen in de Maliebaan en omgeving afspeelde. Soms gaat de schrijver te veel in detail en komt de lezer in verwarring. Ook lijkt het boek te schommelen tussen een oorlogsgeschiedenis en een wetenschappelijk werk. Hierdoor komt er ook heel veel achtergrond informatie naar voren over landelijke situaties en incidenten die niet direct met Utrecht of de Maliebaan te maken hebben. Dat doet wat afbreuk aan het Utrechts karakter van het boek. Toch krijgt de lezer ook veel informatie over het verzet in Utrecht en de Jodenvervolging in de stad. Dat draagt zeker bij tot de Utrechtse oorlogsgeschiedschrijving. “Panden die verhalen” is dan ook zeker aan te bevelen aan iedereen met een interesse in de Tweede Wereld Oorlog, en in het bijzonder in de lotgevallen van de Domstad in deze duistere periode.

Panden die Verhalen, een kleine oorlogsgeschiedenis van de Utrechtse Maliebaan, Wout Buitelaar.
ISBN 978 90 5345345 2 Uitgegeven door Stichting Matrijs Postbus 670 3500 AR Utrecht Prijs E 19,95


augustus 2008
De Anti Fascist
14