Naschrift 60 jaar na dato -
Standard Oil en Shell financierden benzinefabricage voor Luftwaffe

Van de Archiefredactie

In de terugblik naar de jaren direct na de oorlog kwam de redactie op het idee om krantenberichten uit die tijd opnieuw te publiceren. Het onderstaande bericht uit Het Vrije Volk van 20 september 1947 geeft naar onze mening een directe link naar de huidige oorlogen.

HVV 20.9.1947: Het proces dat op dit moment in Neurenberg gevoerd wordt staat zeer zeker minder in de publieke belangstelling dan het beroemde proces tegen de 24 nazileiders, dat ruim een jaar geleden gehouden werd. Toch zijn de feiten die hier aan het licht komen, niet minder interessant dan de onthullingen die het vorige geding opleverden.

Eens te meer is gebleken, hoe nauw de verbindingen waren tussen de grootindustrie en de nazipartij. Reeds sinds de Eerste Wereldoorlog werkte de I.G.Farben-industrie , een der grootste internationale trusts, aan de productie van benzine uit steenkool. In 1932 had de I.G. Farben ongeveer vierhonderd miljoen Rijksmark in dit proces belegd. De synthetische benzine was en bleef echter duur, de zaak dreigde definitief op een fiasco uit te draaien en de maatschappij stond op het punt de productie geheel stop te zetten en de maatschappij stond op het punt de productie geheel stop te zetten. Op dat ogenblik gaf Hitler, die toen nog niet aan de macht was, aan de leiders van I.G.Farben de verzekering dat de synthetische benzine geschikt was voor zijn economisch program.

Toen Hitler een jaar later Rijkskanselier werd ontving de I.G.Farben onmiddellijk een contract van tien jaar om synthetische benzine te produceren tegen een gegarandeerde prijs. Het fiasco voor de I.G. Farben was vermeden, de steun aan de nazi’s bracht zijn rente op.
Het jaar daarop werd de maatschappij ‘Bragag’ opgericht, die zich bezig zou houden met de bouw van fabrieken voor synthetische benzine. Aan het hoofd van deze onderneming stond een zekere Heinrich Bütefisch, thans aangeklaagde in het proces-Neurenberg. Deze man onderhield nauwe relaties met de SS-generaal Kranfass en dit was het begin van samenwerking der Farben met de SS, welke haar ‘hoogtepunt’ vond in het ter beschikking stellen van de bewoners van het concentratiekamp Auschwitz aan de I.G.Farben, die deze slavenarbeiders in de aldaar gelegen fabrieken ‘te werk stelde’.

Standard Oil en Shell
Tijdens het proces in Neurenberg is ook enig licht gevallen op de verbindingen die de I.G.Farben onderhield met de Standard Oil Company en met de Nederlands Engelse Koninklijke Shell. Beklaagde doktor August von Knierim, algemeen adviseur en voorzitter van de patentencommissie van I.G.Farben, onthulde dat de Standard Oil in 1929 dertig miljoen dollar in aandelen betaalde aan de Farben voor patenten op het gebied van synthetische benzine. De Standard Oil en de Shell bezaten alle Duitse benzine-faciliteiten en benzinestations. Zij konden echter als gevolg van Hitlers deviezenmaatregelen de in Duitsland gemaakte winsten niet naar de Verenigde Staten overmaken. Daarom stelde de Duitse regering zich met hen in verbinding en deed het voorstel dat zij met de I.G.Farben samen zouden werken bij de bouw van een hydrogeniseerfabriek.

Von Knierim reisde in 1937 naar Londen om de zaak met Standard Oil en de Shell te bespreken. Tenslotte werd door de drie maatschappijen gezamenlijk een maatschappij opgericht, waarbij elk een derde der aandelen voor zijn rekening nam. Deze nieuwe onderneming zou benzine produceren voor de Luftwaffe.
De openbare aanklager in Neurenberg informeerde nog eens nadrukkelijk of de Standard Oil en de Shell geen andere mogelijkheid hadden gehad om hun geld te investeren. Von Knierim antwoordde hierop: “Ik zie niet in, waarom zij niet om toestemming konden vragen om hun geblokkeerde marken te gebruiken voor een hotel of iets dergelijks.” Overigens heeft de I.G.Farben zich op bevel van Göring sinds 1935 niet meer gehouden aan haar afspraak met de Standard om ‘ervaringen uit te wisselen’.
Von Knierim verklaarde nog ten aanzien van de in 1929 aan de Standard Oil verkochte patenten, dat destijds de afspraak gemaakt werd, dat de I.G.Farben van de wereldpetroleummarkt zou wegblijven, terwijl de Standard de toezegging deed uit de Duitse oliemarkt te blijven. De Standard deed toen haar benzinestations over aan de Farben voor het leveren van de eigen synthetische benzine. “Het Duitse publiek stond aanvankelijk wat aarzelend tegenover het gebruik van synthetische benzine, want het meende dat de natuurlijke benzine uit Amerika beter was. Toen wij onze benzine door middel van hun pompen op de markt brachten, kon het publiek dit artikel gebruiken zonder het zelf te weten.”

Heinrich Wilhelm August Bütefisch (* 24. Februar 1894; † 13. August 1969) chemicus, hoofd bestuursraad van I.G. Farbenindustrie AG. Sinds 1930 hoofd van het Leuna-Werks van I.G. Farben, werd in 1937 lid van de NSDAP en in 1938 bestuurslid van de Technische Raad van I.G. Farben. Vanaf 1941 SS (Obersturmbannführer) voor I.G. Auschwitz als Hoofd van de brandstofproduktie. In 1948 tot 6 jaren gevangenis veroordeeld in het I.G.Farben-proces, in 1951 voortijdig vrijgelaten. Aansluitend werd hij bestuurder in de raad van toezicht bij de Firma Ruhrchemie AG. In 1964 ontving hij het ‘Bundesverdienstkreuz’ dat hij na felle protesten uit de samenleving inleverde.

Als de geschiedenis zich herhaalt.... Zouden we het dan herkennen?


augustus 2007
16