Bergen-Belsen

Door H.C. Wildeman – van Schijndel

Op woensdag 24 september 2003 bracht ik met onze jongste dochter en haar man, een bezoek aan “Gedenkstätte Bergen-Belsen”, de plaats waar mijn grootvader Hubertus Antonius Jacobs, alias de Kiep van Jacobs, op 8 januari 1945 het leven liet. Het was niet alleen zeer indrukwekkend, maar ook heel emotioneel. Slechts 1/3 van de namen van hen die daar gestorven zijn, is bekend, waaronder die van mijn opa. Zijn naam staat opgetekend in het gedenkboek.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog ondernam mijn grootvader, de vader van mijn moeder, allerlei activiteiten die door het Nazi-regime ten strengste verboden waren. Hij luisterde niet alleen regelmatig met vrienden illegaal naar de Engelse radio, maar gaf ook aan onderduikers onderdak. Daarbij was hij lid van een verboden organisatie.

Hier rusten 5.000 doden. Op de lege vlakte waar ééns het kamp was, treft men vele van dergelijke massagraven aan.
Hier rusten 5.000 doden. Op de lege vlakte waar ééns het kamp was, treft men vele van dergelijke massagraven aan.

In 1999 verscheen het boekje “Oorlogsherinneringen van Maarten van Ingen”, een oud-verzetstrijder. Hij woonde in Wageningen, maar was onderwijzer in Renkum, waar hij ook kerkte (N.H.).

In zijn boekje vertelt de schrijver het volgende:

“Hij (student, communist) vroeg me of ik genegen was plakkaten te plakken bij het voetbalterrein van “Wageningen”, op de Berg. Het was 1942. Op de plakkaten werd opgeroepen te gaan staken als protest tegen de Jodenvervolging. Ik ging akkoord. Die Zaterdagavond trof ik in het struikgewas bij het veld twee communisten aan, Nieuwenhuis en de Kiep van Jacobs. Ik kende ze al van hun partij voor de oorlog. En mij kenden ze misschien van het schaatsen? Toch hielden we schuilnamen aan. “Wachtwoord”, riepen ze. Plakken was strafbaar. Je moest dus heel voorzichtig zijn. Toen zijn we gaan plakken. Maar de stijfsel was te dik. Een paar velletjes hebben we kunnen aanbrengen. “Staakt kameraden”, stond er op. Toen ik er zondagmorgen – ik moest naar de kerk in Renkum – langs fietste, heb ik geen plakkaten meer gezien.

Nieuwenhuis en Jacobs hebben allebei later het leven gelaten. Communisten werden door de Duitsers extra hard aangepakt”.

Het is niet meer te achterhalen, of de verwijdering van die aanplakbiljetten de aanleiding was, dat opa Jacobs in de zomer van 1942 uit Wageningen vluchtte en in de omgeving van Amsterdam onderdook.

In de tijd, dat deze geschiedenis zich afspeelde, was ik 5 1/2 jaar oud. Te jong om te beseffen wat er gaande was, maar oud genoeg om indrukwekkende gebeurtenissen fotografisch in mijn geheugen vast te leggen en op te slaan in mijn rugzak (onderbewustzijn). Er heeft in die dagen een gebeurtenis plaatsgevonden, die zoveel indruk op me heeft gemaakt, dat het op mijn netvlies werd gebrand. Een herinnering, die ik jarenlang niet kon plaatsen, maar die door de jaren heen altijd met mijn grootvader werd geassocieerd.

“Mijn moeder en ik waren samen in huis. De rest van ons gezin was afwezig. Op zeker moment werd er luid en doordringend aangebeld. Mijn moeder haastte zich naar de voordeur. Ze liet een oude man binnen,

die totaal overstuur was. Ze nam hem mee naar de keuken. Even later zag ik hem aan de keukentafel zitten met zijn hoofd in zijn handen. Mijn moeder stond naast hem met een beschermende arm om hem heen geslagen.”

Of deze man mijn opa was, die tijdens zijn vlucht naar Amsterdam via Nijmegen was gereisd, om zijn oudste dochter van de situatie, waarin hij verkeerde, op de hoogte te brengen, zal altijd een mysterie blijven.

Toen de Duitsers ontdekten, dat opa Jacobs voortvluchtig was, werden mijn grootmoeder en vijf broers van mijn moeder in hechtenis genomen. Zij werden ondergebracht in de Koepel te Arnhem, waar zij voor verhoor werden vastgehouden. Pas toen mijn grootvader door verraad was gearresteerd en in hechtenis was genomen, werd mijn familie op vrije voeten gesteld.

Na zijn arrestatie, begin augustus 1942, werd opa Jacobs ondergebracht in de “Deutsches Untersugungs- und Strafgefängnis”, Wolvenplein 27 te Utrecht, waar hij als onderzoeksgevangene te boek stond.


mei 2005
14

 

Begin 1943 werd mijn grootvader overgeplaatst naar de “Deutsche Polizeigefängnis”, van Alkemadelaan 850 in de Haag. Beter bekend als de Scheveningse gevangenis. Daar werd hem, op 12 maart 1943, zijn burgerkleding en polshorloge ontnomen. Deze spullen werden in een zak met nummer 737 gedeponeerd en geadresseerd aan “Frau M. Jacobs, Veerstraat 19, Wageningen”. Op dat moment werd Hubertus A. Jacobs, “Gemüse- und Obsthändler (handelaar in groente en fruit), uitgedost in gevangenistenue en gedegradeerd tot “Schutzhäftling” nummer 5670.

In het voorjaar van 1944 werd mijn opa overgebracht naar het “Strafkamp Vught”. In een brief d.d. 8 mei 1944 liet hij (waarschijnlijk via een medegevangene) weten, dat hij een straf had ondergaan, maar dat men zich niet ongerust hoefde te maken, omdat hij zich in “goede welstand” bevond. Achttien dagen later, op 26 mei 1944, werd hij op transport gesteld naar Dachau. Daar werd hij gevangene, nummer 69274, en aangesteld als dwangarbeider. Na een half jaar werd hij arbeidsongeschikt. Op 9 november 1944 werd hij overgebracht naar Bergen-Belsen voor “herstel”.

Vanaf maart 1944 was een gedeelte van het “verblijfskamp” Bergen-Belsen ingericht als herstellingsoord voor arbeidsongeschikt geworden bewoners van diverse concentratiekampen in Duitsland. De barakken waarin de gevangenen werden geplaatst, stonden in een geïsoleerd gedeelte van het verblijfskamp.

Een van de barakken was ingericht als ziekenboeg. Het transporteren van de arbeidsongeschikten naar Bergen-Belsen gebeurde doorgaans per goederentrein.

Na aankomst op het station van Bergen moesten zij de 7 km naar de Lohheide, waar het kamp was gevestigd, te voet afleggen. Na alle ontberingen die zij al hadden geleden, was deze voettocht voor velen een ware uitputtingsslag.

De erbarmelijke leefomstandigheden in het herstellingsoord zorgden ervoor, dat deze mensen niet herstelden, maar vaak na een kort verblijf aan ondervoeding en uitputting ten gronde gingen.

Mijn grootvader overleed twee maanden na aankomst in het herstellingsoord, op 8 januari 1945.

De groep arbeidsongeschikten, waartoe mijn opa behoorde, bestond uit Schutzhäftlingen van allerlei pluimage. Het waren Fransen, Italianen, Russen, Kroaten, Duitsers en Nederlanders. Onder hen was ook een Nederlandse priester.

Ondanks dat zij geïsoleerd leefden, hadden ze het voorrecht, dat ze hun persoonlijke bezittingen mochten behouden, zoals portefeuille met identiteitspapieren en portemonnee.

Hierdoor kon na hun overlijden de naam van de mens, die schuilging achter een nummer, worden geregistreerd en de nabestaanden na de Tweede Wereldoorlog, via het Rode Kruis, van het overlijden op de hoogte worden gesteld.

Vanaf januari 1945 vonden een groot aantal gevangenentransporten plaats vanuit concentratiekampen in de buurt van het front naar Bergen-Belsen. Het inferno begon. Ondragelijke overbevolking van het kamp, honger en epidemieën zorgden voor een zeer hoog sterftecijfer.

Het voedselrantsoen in het concentratiekamp bestond uit 1 snee brood van 3 centimeter dik per etmaal. De dikte van de snee werd heel nauwkeurig uitgemeten.

In de maand januari overleden 800 tot 1000 mensen, in februari ca. 7000, in maart 18.168 en in de eerste helft van april ca. 9000. Op 15 april 1945 werd Bergen-Belsen door Engelse troepen bevrijd. Ondanks intensieve pogingen de overlevenden te redden, stierven tot eind april nog ongeveer 9000 mensen en tot eind juni nog eens 4000.

De lichamen van alle overleden gevangenen van het concentratiekamp werden massaal in massagraven gedumpt. Niemand kan vertellen wie waar ligt begraven.

Deze grafheuvels zijn bedekt met heide. Zij stralen rust en vrede uit. Na alle ellende, die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog in Bergen-Belsen heeft afgespeeld, heerste er een intense stilte, die het diepst van mijn ziel raakte.

Op dat moment gingen mijn gedachten uit naar de eerste woorden uit het gedenkboek van de gevangenen van het concentratiekamp Bergen-Belsen:

Een groep SS-Aufseherinnen geconfronteerd met hun daden. Niet één gezicht toont spijt.
Een groep SS-Aufseherinnen geconfronteerd met hun daden. Niet één gezicht toont spijt.

“Einen ewigen Namen will ich ihnen geben, der nicht vergehen soll” (Jesaja 56:5) (Een eeuwige naam zal ik hun geven, die niet vergaan zal)

Renkum, november 2003

Bronnen:

- Brieven uit nalatenschap van W.C. Jacobs – Rothuizen
- Oorlogsherinneringen van Maarten van Ingen, 1999, blz. 26-27
- Bergen-Belsen 1943 tot 1945, Eberhard Kolb
- Gedenkstätte Bergen-Belsen, Bernd Horstmann
- Foto's uit het Boek der Kampen


mei 2005
achterpagina
15